3dlabo/be
Fase 04·Klaar

Design van de body

Van naakt chassis naar 3D-model, van 3D-model naar honderden STL-bestanden. Elke curve digitaal getekend, elk paneel apart uitgesneden, klaar om één voor één op de Ultimaker's te belanden.

Voor er iets ontworpen kon worden, moesten de maten kloppen. De body die straks over het chassis komt, moet als een handschoen passen — nergens teveel ruimte, nergens teveel contact met de mechaniek eronder. Dus begin je met opmeten. Meetlint, schuifmaat, potlood, meetblad. Elk referentiepunt vastgelegd: brekingen in de buizen, ophangingsposities, breedte tussen de achterwielen, hoogte van de bodemplaat.

Chassis op de rolstand. Dit is de basis van alle referenties. Alle maten worden vanaf hier uitgezet.
Achteraanzicht. Breedte tussen de wielen, hoogte van de dempers, positie van de brandstoftank — allemaal cijfers die straks in CAD terugkomen.

Om niet vanaf nul te beginnen in CAD, zocht ik een basis-tekening van een vergelijkbaar Seven-chassis. Op een forum vond ik een 3D wireframe met wielen — niet exact hetzelfde chassis, maar dicht genoeg om proporties tegen te toetsen. Vertrekbasis gevonden.

Referentiemodel gevonden online. Niet zelf getekend, wel de basis om de eigen opgemeten waarden op te ijken.

Dan de eerste ruwe schets. Wat moet die body doen? Hoe rond, hoe scherp, hoe close bij het klassieke Seven-silhouet, en waar mag hij afwijken? De eerste vormen zijn snel, meer een gevoel dan een ontwerp — maar het karakter zit er al in.

Een van de eerste ideeën. Verhoudingen zijn nog niet definitief, maar het silhouet begint te leven.

Van gevoel naar geometrie. In CAD (Plasticity voor de vormstudies, Rhino voor de definitieve lijnen) wordt de body strak over het chassis gedrapeerd. Genoeg ruimte voor motor en ophanging eronder, karakter in de bovenkant — spatborden die de wielen inpakken, aanlopende neus, achterkant die de klassieke Seven-cut behoudt.

Body-mesh (blauw) rond het chassis (wit). Elk paneel volgt het buizenwerk van binnenuit — geen holle ruimtes tussen chassis en oppervlak.

Wanneer de curves definitief zijn, komt het moment van renderen. Voor het eerst zie je hoe hij eruit gaat zien in het echt — of dichtbij toch. Nog geen carbon-weave, nog geen wielen, maar de vorm ligt vast. Controle-moment voor jezelf: klopt dit, of moet er nog aan?

Render in Rhino. Verkoop-plaatje voor mezelf — controleren of het klopt vóór er iets geprint wordt.

De body is te groot om in één stuk te printen — geen enkele consumer 3D-printer heeft een printbed van drie meter. In CAD wordt het model daarom opgedeeld in tientallen dwarsplakken, elk aangepast aan het printbed van de Ultimaker S5. Elke plak krijgt eigen wanden en aansluitvlakken, zodat de stukken later met een plastic welder aan elkaar gesmolten kunnen worden tot één body.

Body opgedeeld in dwarssneden. Elk plakje wordt straks één printbaar stuk op de Ultimaker.
Close-up. Door de sneden heen zie je de body zelf (blauw); elk stuk heeft eigen aansluitvlakken.

Elke plak wordt geëxporteerd als STL-bestand. Uiteindelijk: honderden bestanden, allemaal genummerd, klaar om één voor één de slicer in te sturen. Grote stukken die dagen printen, kleine detailstukjes van een uur — de mix die de body straks fysiek zal opbouwen.

Een fragment uit de STL-map. Elk bestand een uniek stuk, honderden in totaal.

Vanuit de slicer gaan de bestanden naar Ultimaker Digital Factory — een print-queue in de cloud met alle stukken. Vandaar wijs ik ze zelf één voor één toe aan één van de twee Ultimaker S5's in het atelier, en beslis ik welke wanneer aan de beurt is. Filament bijvullen, klaar-geprinte stukken wegleggen, de volgende opdracht klaarzetten. Vanaf hier is het geen tekenen meer. Het is printen.

Ultimaker Digital Factory in de browser. 165 bestanden in de queue, één voor één handmatig toegewezen aan één van de twee S5's.